Jij, meisje, eigenlijk jonge vrouw met je kinderlichaampje. Wat geniet je van jezelf, heerlijk. Je spiegelbeeld lacht terwijl je kleren slonzig om je heenhangen. Alles past perfect bij elkaar, naar eigen zeggen. Iedereen weet wie je bent, maar of ze daar blij mee zijn- ik zeg niks.
Meisje, wist je maar wat iedereen van je vond. Als je weer eens met je irritante, achterbakse kop de bemoeial aan het uithangen bent, lijkt iedereen je aardig te vinden. Met nadruk op lijkt. Wist je maar hoe irritant je was.
Je hebt vast veel vrienden. Wat je ook hebt, is veel lijm. Geen zichtbare lijm, geen nagellijm- lijmdraden. Vastgeplakt aan de mensen die je onder de tang hebt. Zonde. Wil iemand anders tegen jouw beste vriendinnetje praten, dan sta jij er met je heksenneus bovenop. Jouw mening is namelijk echt ontzettend belangrijk.
Aan mannelijke aandacht geen gebrek, zoals je zegt. Wat ik overigens totaal niet kan begrijpen- and believe me, I am not the only one. Mijn moeder zou zeggen; een zak zout op en nog geen dorst. En een man met fatsoenlijk werkende hersens zou zeggen; Een zak over je kop en erin en eruit. Meer niet. Gelukkig heb jij een vent waarbij wel meer dan één steekje loszit. Ach, zolang zijn derde been maar werkt en jij het heerlijk kunt rondbazuinen aan iedereen die het maar wil horen.
Als iedereen tevreden is, ben jij dat niet. Ik weet niet waar je dat humeur hebt gekocht, maar één ding is me duidelijk. Graaf diep in de vuilnisbak, zoek die bon op en breng hem terug. Ruilen mag ook, slechter dan dit kan het toch niet meer worden.
zaterdag 9 april 2011
dinsdag 8 maart 2011
Mannen
Met trillende handen typ ik dit stuk. Ik gebruik al medicijnen om het trillen te onderdrukken, maar dat is anders. Ik tril van kwaadheid. De laatste tijd ben ik wel vaker boos, en het is maar om één rede. Mannen.
Begrijp me niet verkeerd, er zijn zoveel goede en leuke mannen op deze wereld. Het is alleen jammer dat ik er zo weinig tegenkom. Waar ik echt zo ontzettend moedeloos van word is van die kerels die alles beloven, maar niks waarmaken. Je zegt dat je niet zoals een ander bent. Nee klopt, je bent veel erger. Je bent niet van de one night stands. Nee, behalve als je een paar flinke borsten voor je neus krijgt. Je weet niet wat je wil, maar voor een ander meisje wel. En ga zo maar door.
Iedere man lijkt wel bindingsangst te hebben. Er is een zin die veel mannen typeert. 'We gaan niet te snel toch, want ik wil nog geen relatie' Man, je verpest alles met die zin. ALLES. Altijd als het leuk is- ik ben niet eens uit op een fucking relatie, dan moet je het altijd verneuken door die zin te gebruiken. Maar je vindt me wel leuk, natuurlijk. Natuurlijk. Komt ook erg geloofwaardig over. Door die zin wil ik niet eens meer moeite doen. Maak je toch eens niet zo'n zorgen om een relatie, je vergooit er alles mee. Het was leuk zoals het was, tot die zin.
Haat en liefde staat altijd dicht bij elkaar. Vooral bij mij. Ik weet niet hoe het komt, ik weet niet wat het is. Het lijkt wel alsof ik de problemen zelf maak of opzoek. Ik hoor wel vaker dat ik een drama ben op liefdesgebied. Is het dan mijn schuld? Dat ik om de week een andere jongen leuk vind? Ik weet gewoon niet meer wat ik moet geloven. Als ik iemand leuk begin te vinden, is die jongen altijd 'anders', naar eigen zeggen. Is dat maar voor een paar dagen dan? Een soort abonnementsdienst die na een bepaald aantal uren afloopt? Zie je dan weer smsjes van andere meisjes in zijn telefoon? Ook zo'n punt. Meerdere meisjes. Wat fijn he, dat je altijd iemand achter de hand kunt houden? Een soort van reserve, als het met je eerste keus niet zo goed gaat. Lekker aan het lijntje houden.
Goed, haat en liefde dus. Al haat ik mannen, ik blijf ze leuk vinden. Vooral jou. Ik zou je het liefst tegen de muur aandrukken met één hand, je kussen en je kei hard in je onderlip bijten. Met in de andere hand een levensgevaarlijk broodmes. Een flinke zwaai met mijn arm maken om jouw hoofd nog maar net te missen.
Geloof me, ik ben het zat om zo te haten, echt. Ik blijf maar zoeken naar die handleiding op Marktplaats. Maar ik wil nog niet echt slagen.
Misschien, ooit...
Begrijp me niet verkeerd, er zijn zoveel goede en leuke mannen op deze wereld. Het is alleen jammer dat ik er zo weinig tegenkom. Waar ik echt zo ontzettend moedeloos van word is van die kerels die alles beloven, maar niks waarmaken. Je zegt dat je niet zoals een ander bent. Nee klopt, je bent veel erger. Je bent niet van de one night stands. Nee, behalve als je een paar flinke borsten voor je neus krijgt. Je weet niet wat je wil, maar voor een ander meisje wel. En ga zo maar door.
Iedere man lijkt wel bindingsangst te hebben. Er is een zin die veel mannen typeert. 'We gaan niet te snel toch, want ik wil nog geen relatie' Man, je verpest alles met die zin. ALLES. Altijd als het leuk is- ik ben niet eens uit op een fucking relatie, dan moet je het altijd verneuken door die zin te gebruiken. Maar je vindt me wel leuk, natuurlijk. Natuurlijk. Komt ook erg geloofwaardig over. Door die zin wil ik niet eens meer moeite doen. Maak je toch eens niet zo'n zorgen om een relatie, je vergooit er alles mee. Het was leuk zoals het was, tot die zin.
Haat en liefde staat altijd dicht bij elkaar. Vooral bij mij. Ik weet niet hoe het komt, ik weet niet wat het is. Het lijkt wel alsof ik de problemen zelf maak of opzoek. Ik hoor wel vaker dat ik een drama ben op liefdesgebied. Is het dan mijn schuld? Dat ik om de week een andere jongen leuk vind? Ik weet gewoon niet meer wat ik moet geloven. Als ik iemand leuk begin te vinden, is die jongen altijd 'anders', naar eigen zeggen. Is dat maar voor een paar dagen dan? Een soort abonnementsdienst die na een bepaald aantal uren afloopt? Zie je dan weer smsjes van andere meisjes in zijn telefoon? Ook zo'n punt. Meerdere meisjes. Wat fijn he, dat je altijd iemand achter de hand kunt houden? Een soort van reserve, als het met je eerste keus niet zo goed gaat. Lekker aan het lijntje houden.
Goed, haat en liefde dus. Al haat ik mannen, ik blijf ze leuk vinden. Vooral jou. Ik zou je het liefst tegen de muur aandrukken met één hand, je kussen en je kei hard in je onderlip bijten. Met in de andere hand een levensgevaarlijk broodmes. Een flinke zwaai met mijn arm maken om jouw hoofd nog maar net te missen.
Geloof me, ik ben het zat om zo te haten, echt. Ik blijf maar zoeken naar die handleiding op Marktplaats. Maar ik wil nog niet echt slagen.
Misschien, ooit...
woensdag 2 maart 2011
FHJ eer.
Speciaal voor jullie, is deze blog. Voor JULLIE. De personen die ik zo ga noemen. Ben je al benieuwd? Ik houd je lekker nog langer in spanning. Eerst komt, zoals ik dat geleerd heb, de saaie lead. Ik zal overigens vast nog wel wat mensen toevoegen. Part nummero een. Don't hate me als je er niet in staat. Super grote mega sorry.
Ik begin met Iris.
Niet met mezelf dus. Iris Muller. Wat een pracht. Als je haar ziet, lijkt ze het tegenovergestelde van mij. Niets blijkt minder waar. Ik herinner me nog dat we aan het fietsen waren op introductiekamp. Samen met Mitchell- die later nog genoemd gaat worden, zongen we Abel met Onderweg. Onze versie dan. Met jou voel ik me echt verbonden. Hoef niet eens te veel woorden te zeggen, of je snapt me. We kennen dezelfde frustraties. En houden van dezelfde prachtige lichtroze schoenen.
And so we go on. Verder ga ik met Nikos en Mitchell. Samen in het introductiegroepje. Ik wist totaal niet wat ik van jullie moest denken. Tot die fietstocht. Fuck man, jullie zijn echt te gek. Op de fiets praten over vanalles en nog wat, de vieste en smerigste detail verhalen, alles kon. En die avond op IC kamp. Een zatte Mitchell, MET vlechtjes in zijn haar en een hoela rokje aan. Aan de telefoon met zijn moeder, die ik natuurlijk wel de groeten wilde doen. Gast, je bent echt te gek. Maar stuur me nooit meer de verkeerde weg op in Breda. Want ik zal je vinden.
Next ones. Anna, Serena en Paul. Ofwel Pascal, Bep jansen mag ook. In S03 echt een bij elkaar geraapt zooitje. Ging de rest van de groep naar huis, bleven wij hangen. Moest ik werken, vond Serena wel dat ik erg bleek was. En maar ziek thuis moest blijven dus.Thuis.. in Central. Of thuis in Brandpunt. Ik denk niet dat er een groep gaat komen, waarin mensen zitten die zo gek zijn als jullie. Ik zal jullie toch wel missen. Al wens ik jullie welleens een brandende hel toe.
Dan ga ik verder met Nick en Clemens. Sorry dat ik jullie in één regel moet noemen. Sorry. Vooral voor Nick. Waarom? Clemens is een schat van een jongen. Ik geef hem dolgraag kussen op zijn neus. Maar deze jongeman heeft een diploma in falen. Wat niet erg is, we houden toch wel van hem. Dan hem je nog Nick. Als ik aan Nick denk, denk ik aan motoren. Heel vreemd. En aan een wannabe baard. Hij wordt graag gehoord. Maar is wel een schatje.
Dan heb je nog Bram Steenbeek. Bram heeft een bril. Hij houdt niet van tongen. Verder lijkt hij ook nog een beetje op Guus Meeuwis, en heeft hij een voorliefde voor kale negerinnen. Al haat ik hem vaak, ik mag hem toch ook wel ergens. Diep in mijn teen. Dankzij hem heb ik soms inspiratie. Blogs over babybuiken op laarsjes, enzo.
Verder met Daan Kusen. Wat een held! Hij kan soms stil zijn, maar dat zegt niks. Als hij wel iets zegt, is het tactisch. Hij weet wanneer hij moet praten. Zijn uitspraken zijn geniale hersenspinsels. En hij houdt van bier. Maar Heineken moet hij toch echt laten staan.
Juliette van der Smitte. Een klein opdondertje. Lacht heel schattig- Het lijkt op giechelen. Ze is heel erg lief, en ik heb de eer om volgend project bij haar in de groep te zitten. Stiekem hoop ik dat ze nog vaker lollies voor me meeneemt.
Jullie zijn echt te gek. Als ik dit jaar nog eens mag halen of falen, just know dat ik blij ben jullie als mede falers gekend te hebben.
Ik begin met Iris.
Niet met mezelf dus. Iris Muller. Wat een pracht. Als je haar ziet, lijkt ze het tegenovergestelde van mij. Niets blijkt minder waar. Ik herinner me nog dat we aan het fietsen waren op introductiekamp. Samen met Mitchell- die later nog genoemd gaat worden, zongen we Abel met Onderweg. Onze versie dan. Met jou voel ik me echt verbonden. Hoef niet eens te veel woorden te zeggen, of je snapt me. We kennen dezelfde frustraties. En houden van dezelfde prachtige lichtroze schoenen.
And so we go on. Verder ga ik met Nikos en Mitchell. Samen in het introductiegroepje. Ik wist totaal niet wat ik van jullie moest denken. Tot die fietstocht. Fuck man, jullie zijn echt te gek. Op de fiets praten over vanalles en nog wat, de vieste en smerigste detail verhalen, alles kon. En die avond op IC kamp. Een zatte Mitchell, MET vlechtjes in zijn haar en een hoela rokje aan. Aan de telefoon met zijn moeder, die ik natuurlijk wel de groeten wilde doen. Gast, je bent echt te gek. Maar stuur me nooit meer de verkeerde weg op in Breda. Want ik zal je vinden.
Next ones. Anna, Serena en Paul. Ofwel Pascal, Bep jansen mag ook. In S03 echt een bij elkaar geraapt zooitje. Ging de rest van de groep naar huis, bleven wij hangen. Moest ik werken, vond Serena wel dat ik erg bleek was. En maar ziek thuis moest blijven dus.Thuis.. in Central. Of thuis in Brandpunt. Ik denk niet dat er een groep gaat komen, waarin mensen zitten die zo gek zijn als jullie. Ik zal jullie toch wel missen. Al wens ik jullie welleens een brandende hel toe.
Dan ga ik verder met Nick en Clemens. Sorry dat ik jullie in één regel moet noemen. Sorry. Vooral voor Nick. Waarom? Clemens is een schat van een jongen. Ik geef hem dolgraag kussen op zijn neus. Maar deze jongeman heeft een diploma in falen. Wat niet erg is, we houden toch wel van hem. Dan hem je nog Nick. Als ik aan Nick denk, denk ik aan motoren. Heel vreemd. En aan een wannabe baard. Hij wordt graag gehoord. Maar is wel een schatje.
Dan heb je nog Bram Steenbeek. Bram heeft een bril. Hij houdt niet van tongen. Verder lijkt hij ook nog een beetje op Guus Meeuwis, en heeft hij een voorliefde voor kale negerinnen. Al haat ik hem vaak, ik mag hem toch ook wel ergens. Diep in mijn teen. Dankzij hem heb ik soms inspiratie. Blogs over babybuiken op laarsjes, enzo.
Verder met Daan Kusen. Wat een held! Hij kan soms stil zijn, maar dat zegt niks. Als hij wel iets zegt, is het tactisch. Hij weet wanneer hij moet praten. Zijn uitspraken zijn geniale hersenspinsels. En hij houdt van bier. Maar Heineken moet hij toch echt laten staan.
Juliette van der Smitte. Een klein opdondertje. Lacht heel schattig- Het lijkt op giechelen. Ze is heel erg lief, en ik heb de eer om volgend project bij haar in de groep te zitten. Stiekem hoop ik dat ze nog vaker lollies voor me meeneemt.
Jullie zijn echt te gek. Als ik dit jaar nog eens mag halen of falen, just know dat ik blij ben jullie als mede falers gekend te hebben.
dinsdag 1 maart 2011
Babybuik op laarsjes.
Daar sta je dan, voor de spiegel. Al krabbend over je harige buik. Intussen ben je al een paar maandjes zwanger van 800 hamburgers, 1700 blikken Redbull en een ontelbaar aantal broodjes kebab. Je doet je mooiste laarzen aan, althans dan denk je. En daar ga je. Over de straten. Die jij zal vullen met jezelf.
Je geniepige oogjes kijken naar alle mensen op straat die minder zijn dan jij. Iedereen dus. Met je smartphone plaats je de meest hatelijke tweets over mensen die je ziet. Paupers. Met Nickelson jassen. Je haat ze. Jouw stijlgevoel is namelijk te gek. Hoewel jouw hamburgerbuik het je soms niet toe laat je in de nieuwste mode te wurmen. Gelukkig heb je nog kaplaarzen.
Het feit dat iedereen je haat, boeit jou geen zak. Jij bent namelijk echt stoer. Vergeet al je vrienden niet. Die van hyves dan. En van twitter. Persoonlijk heb je alleen maar mensen om mee te gaan eten. Die sparen namelijk ook voor de redbullhamburgerkebab buik. En zitten aan de drugs.
Je bent een echte sportvolger. Jij en je buik hangen samen op de bank, heerlijk kijkend naar de inspanning van wielrenners. Met een zak friet, en 8 frikandellen. Van al dat junkfood krijg je helaas geen energie. Dus je blikken Red Bull zijn je naasten, opgesteld in keurige rijtjes van zes bij zes.
Je wil een held zijn. Slimmer dan iedereen. Elke discussie aangaan. Je weet namelijk zo veel voor je leeftijd. Think twice.
Als je echt zo slim was, zouden de ingezakte voetafdrukken van jouw laarsjes niet in de wachtrij bij de Mac Donalds staan.
Je geniepige oogjes kijken naar alle mensen op straat die minder zijn dan jij. Iedereen dus. Met je smartphone plaats je de meest hatelijke tweets over mensen die je ziet. Paupers. Met Nickelson jassen. Je haat ze. Jouw stijlgevoel is namelijk te gek. Hoewel jouw hamburgerbuik het je soms niet toe laat je in de nieuwste mode te wurmen. Gelukkig heb je nog kaplaarzen.
Het feit dat iedereen je haat, boeit jou geen zak. Jij bent namelijk echt stoer. Vergeet al je vrienden niet. Die van hyves dan. En van twitter. Persoonlijk heb je alleen maar mensen om mee te gaan eten. Die sparen namelijk ook voor de redbullhamburgerkebab buik. En zitten aan de drugs.
Je bent een echte sportvolger. Jij en je buik hangen samen op de bank, heerlijk kijkend naar de inspanning van wielrenners. Met een zak friet, en 8 frikandellen. Van al dat junkfood krijg je helaas geen energie. Dus je blikken Red Bull zijn je naasten, opgesteld in keurige rijtjes van zes bij zes.
Je wil een held zijn. Slimmer dan iedereen. Elke discussie aangaan. Je weet namelijk zo veel voor je leeftijd. Think twice.
Als je echt zo slim was, zouden de ingezakte voetafdrukken van jouw laarsjes niet in de wachtrij bij de Mac Donalds staan.
vrijdag 25 februari 2011
Die eerste
Terug in de tijd. Het is het jaar 2008. net 15 geworden. Met een enorme brok van zenuwen in mijn keel zat ik voor de spiegel in de keuken. Een lichtroze glans sierde mijn lippen. Ondanks een flinke laag make-up waren de sproeten goed zichtbaar. Mijn haar gebleekt door de zon. Het was warm, ik kookte. Van de zenuwen.
Toen kwam jij binnen. Ik was zongebruind, jij was lijkbleek. Het wekenlange vroege opstaan had je huid verbleekt. In de tere huid rondom je felblauwe ogen verschenen lachrimpeltjes. 'Dus, ga je mee?' Je lachte even leuk als altijd met je perfecte beugelrechte tanden. Ik herinner me mijn ouders, die aan het smoezen waren toen we wegfietsten.
Daar waren we dan. Aan het water. De zon zou bijna onder gaan. Ongemakkelijk liepen we maar wat, niet wetende waar we naartoe moesten gaan of waar we het over moesten hebben. Lacherig waren we. Toen stelde je voor even te gaan zitten. Een geprek begon, het onderwerp slingerde van hot naar her. Het werd steeds kouder en donkerder. Strak lag je naast mij. Tussen de gesprekken en het lachen door deed je af en toe je ogen dicht.
Een uur of tien was het intussen. Het was verschrikkelijk snel koud geworden na een warme, zweterige zomerdag. Steeds strakker lag je naast mij. Mijn beschamend kleine hand in jouw koude hand. Je zei niets, maar dat hoefde ook niet. Als je mondhoeken omkrulden, was het genoeg.
Samen keken we naar de zonsondergang. We luisterden muziek. Je vertelde honderduit over muziek en nieuwe nummers. Ik, gehypnotiseerd door je geur, ving er maar weinig van op. Hoewel je woorden langs me heen gingen, was ik blij dat ik daar was, met jou. Af en toen legde je je hoofd opzij, en keek je naar mij met je prachtige blauwe ogen. Jouw neus zachtjes tegen de mijne aangedrukt. Jouw lippen tegen de mijne. Jouw handen in de mijne. Alsof het moment nooit voorbij zou gaan. Geen een jongen zou ooit meer de eerste zijn.
Die zomer. Hij duurde niet oneindig. Je ging verder met je leven, ik ging verder met het mijne. Een andere stad, een andere school. Een nieuw meisje, een nieuwe jongen.
Tot februari 2011. Ik zie de trein al aan komen rijden als ik mijn fiets nog op slot moet zetten. Rennend ga ik de trap op. Als ik mezelf met een rood hoofd op een stoel stort, hoor ik een onzekere stem: 'Iris?' Daar zat je dan. Na twee jaar. Je zag er goed uit. Je rook nog als vanouds. Tussen het gesprek door praat je nog wat over muziek. Af en toe sluit je je ogen. Je hebt niet zo goed geslapen. Na een leuk gesprek stappen we uit. Lacherig zeg je dat je je roos bent vergeten. Ik begrijp het niet. Pas als ik wat later op mijn horloge kijk, zie ik de datum: 14 februari.
Toen kwam jij binnen. Ik was zongebruind, jij was lijkbleek. Het wekenlange vroege opstaan had je huid verbleekt. In de tere huid rondom je felblauwe ogen verschenen lachrimpeltjes. 'Dus, ga je mee?' Je lachte even leuk als altijd met je perfecte beugelrechte tanden. Ik herinner me mijn ouders, die aan het smoezen waren toen we wegfietsten.
Daar waren we dan. Aan het water. De zon zou bijna onder gaan. Ongemakkelijk liepen we maar wat, niet wetende waar we naartoe moesten gaan of waar we het over moesten hebben. Lacherig waren we. Toen stelde je voor even te gaan zitten. Een geprek begon, het onderwerp slingerde van hot naar her. Het werd steeds kouder en donkerder. Strak lag je naast mij. Tussen de gesprekken en het lachen door deed je af en toe je ogen dicht.
Een uur of tien was het intussen. Het was verschrikkelijk snel koud geworden na een warme, zweterige zomerdag. Steeds strakker lag je naast mij. Mijn beschamend kleine hand in jouw koude hand. Je zei niets, maar dat hoefde ook niet. Als je mondhoeken omkrulden, was het genoeg.
Samen keken we naar de zonsondergang. We luisterden muziek. Je vertelde honderduit over muziek en nieuwe nummers. Ik, gehypnotiseerd door je geur, ving er maar weinig van op. Hoewel je woorden langs me heen gingen, was ik blij dat ik daar was, met jou. Af en toen legde je je hoofd opzij, en keek je naar mij met je prachtige blauwe ogen. Jouw neus zachtjes tegen de mijne aangedrukt. Jouw lippen tegen de mijne. Jouw handen in de mijne. Alsof het moment nooit voorbij zou gaan. Geen een jongen zou ooit meer de eerste zijn.
Die zomer. Hij duurde niet oneindig. Je ging verder met je leven, ik ging verder met het mijne. Een andere stad, een andere school. Een nieuw meisje, een nieuwe jongen.
Tot februari 2011. Ik zie de trein al aan komen rijden als ik mijn fiets nog op slot moet zetten. Rennend ga ik de trap op. Als ik mezelf met een rood hoofd op een stoel stort, hoor ik een onzekere stem: 'Iris?' Daar zat je dan. Na twee jaar. Je zag er goed uit. Je rook nog als vanouds. Tussen het gesprek door praat je nog wat over muziek. Af en toe sluit je je ogen. Je hebt niet zo goed geslapen. Na een leuk gesprek stappen we uit. Lacherig zeg je dat je je roos bent vergeten. Ik begrijp het niet. Pas als ik wat later op mijn horloge kijk, zie ik de datum: 14 februari.
zondag 20 februari 2011
Haat-Liefde
Ik wil je,
moorden, schoppen en slaan.
Je zo hard in elkaar timmeren dat je niet meer kunt staan.
Ik wil als een bloedzuiger het leven uit je halen.
Ik wil je zien vallen, ik wil je zien falen.
Het bloed onder je nagels zien wegtrekken,
Al het geluk uit je leven weg laten lekken.
Ik wil al je botten breken,
Een mes in je ribben steken.
Geschreven met bloed zullen de brieven zijn die ik je schrijf,
Het liefst steek ik ze met naaldjes vast in je harteloze lijf.
Ik wil je tranen, ik wil al je pijn
Al die liefde, het is zwarte schijn.
Maar boven alles,
ik wil je.
Ik wil je lippen, ik wil je ogen.
Ik wil alles van je, ongelogen.
Je problemen en gebreken,
Je om alle liefde smeken.
Ik wil alles, maar ik haat je.
moorden, schoppen en slaan.
Je zo hard in elkaar timmeren dat je niet meer kunt staan.
Ik wil als een bloedzuiger het leven uit je halen.
Ik wil je zien vallen, ik wil je zien falen.
Het bloed onder je nagels zien wegtrekken,
Al het geluk uit je leven weg laten lekken.
Ik wil al je botten breken,
Een mes in je ribben steken.
Geschreven met bloed zullen de brieven zijn die ik je schrijf,
Het liefst steek ik ze met naaldjes vast in je harteloze lijf.
Ik wil je tranen, ik wil al je pijn
Al die liefde, het is zwarte schijn.
Maar boven alles,
ik wil je.
Ik wil je lippen, ik wil je ogen.
Ik wil alles van je, ongelogen.
Je problemen en gebreken,
Je om alle liefde smeken.
Ik wil alles, maar ik haat je.
dinsdag 15 februari 2011
De katvrouw
Er was eens een katvrouw. Een katvrouw kan duizend dingen zijn. Een kattige vrouw, een vrouw met een kattenfetish of gewoon een katvrouw. Deze vrouw is dus een echte katvrouw. Wanneer ze geboren is weet alleen God. Overduidelijk is dat het lang, lang geleden is.
De katvrouw droeg haar naam niet voor niets. De lieve vrouw woonde op de bovenste verdieping van een luguber flatgebouw samen met haar 70 katten. Iedere kat had ze een naam gegeven. Ze kon iedere kat uit elkaar houden. Haar twee favorieten, Pauper en Proleet, kropen iedere avond tegen haar linkerborst, terwijl zij slaapliedjes voor ze zong.
De katvrouw heeft nooit liefde gekend. De enige liefde die ze kende was voor haar katten. De katvrouw kwam nooit buiten. Omdat ze al zo oud was, was haar haar verschrikkelijk lang gegroeid. Als haar katten honger hadden, gooide ze haar haar uit het raam. Haar katten klommen zo via haar haar naar beneden, om buiten te jagen op ratten en ander gespuis. De katvrouw wilde ook eten. Dus de katten zorgden voor de katvrouw. Af en toe had de slagerij om de hoek de deur op een kier. Haar lievelingskatten Pauper en Proleet gingen dan op de zoektocht naar een restje vlees voor de katvrouw, die ze dan met haar half afgerotte tanden stuk kauwde.
Hoewel de katvrouw nooit muziek heeft gekend, genoot ze van het geluid van haar miauwende katten in de vroege ochtend. De symfonieën van haar 70 jengelende katten was voor haar als een spontaan orgasme. Al heeft ze nooit seks gehad. Ze hield van liefde. Kattenliefde. Met haar 55 centimeter lange nagels kriebelde ze graag over de buikjes van haar katten. Haar rimpelige gezicht drukte ze tegen de neusjes van haar katten. Dat is de enige manier van innige liefde die ze kende.
De katvrouw kende ook verdriet. Eenmaal kwam Pauper niet meer terug van rooftocht. Proleet heeft haar 's nachts in slaap gejengeld, als een soort schrale troost. De volgende dag gooide ze haar haar uit en wachtte zij totdat de kat haar lange, vette haar zou trotseren. Maar dat moment kwam niet. Urenlang heeft ze gehuild, de katvrouw. De katten likten haar tranen uit haar diepe rimpels. De katvrouw voelde zich oncompleet. Al had ze troost van haar 69 katten, het gevoel was niet compleet.
Dagenlang heeft ze gehuild. Haar katten mochten nog maar af en toe naar buiten. Al hadden zij genoeg aan haar talloze tranen. Eten kwam er niet meer. Proleet had er geen zin meer in. Hij was zijn soulmate kwijt. Ze waren een team, de een stond op de wacht en de andere stal het vlees uit de slagerij. Het kwam niet meer. De katvrouw was ontroostbaar. Ze werd zo zwak vanbinnen dat ze haar haar niet meer uit het raam gooide. Haar katten bleven altijd bij haar. Totdat ze niet meer naar buiten konden. Ze kregen geen eten meer. De katten aten stukje bij beetje meer van de katvrouw af, ze moesten iets. Het sap uit haar oogballen spoot alle kanten op. Het begon met een arm, en het eindigde bij haar stinkende en rottende gebit. De stank was ondraaglijk. Dit was het einde van de katvrouw, alles wat nog van haar over was waren haar haren. Meters lange haren, met spinnende katten erop.
De katvrouw droeg haar naam niet voor niets. De lieve vrouw woonde op de bovenste verdieping van een luguber flatgebouw samen met haar 70 katten. Iedere kat had ze een naam gegeven. Ze kon iedere kat uit elkaar houden. Haar twee favorieten, Pauper en Proleet, kropen iedere avond tegen haar linkerborst, terwijl zij slaapliedjes voor ze zong.
De katvrouw heeft nooit liefde gekend. De enige liefde die ze kende was voor haar katten. De katvrouw kwam nooit buiten. Omdat ze al zo oud was, was haar haar verschrikkelijk lang gegroeid. Als haar katten honger hadden, gooide ze haar haar uit het raam. Haar katten klommen zo via haar haar naar beneden, om buiten te jagen op ratten en ander gespuis. De katvrouw wilde ook eten. Dus de katten zorgden voor de katvrouw. Af en toe had de slagerij om de hoek de deur op een kier. Haar lievelingskatten Pauper en Proleet gingen dan op de zoektocht naar een restje vlees voor de katvrouw, die ze dan met haar half afgerotte tanden stuk kauwde.
Hoewel de katvrouw nooit muziek heeft gekend, genoot ze van het geluid van haar miauwende katten in de vroege ochtend. De symfonieën van haar 70 jengelende katten was voor haar als een spontaan orgasme. Al heeft ze nooit seks gehad. Ze hield van liefde. Kattenliefde. Met haar 55 centimeter lange nagels kriebelde ze graag over de buikjes van haar katten. Haar rimpelige gezicht drukte ze tegen de neusjes van haar katten. Dat is de enige manier van innige liefde die ze kende.
De katvrouw kende ook verdriet. Eenmaal kwam Pauper niet meer terug van rooftocht. Proleet heeft haar 's nachts in slaap gejengeld, als een soort schrale troost. De volgende dag gooide ze haar haar uit en wachtte zij totdat de kat haar lange, vette haar zou trotseren. Maar dat moment kwam niet. Urenlang heeft ze gehuild, de katvrouw. De katten likten haar tranen uit haar diepe rimpels. De katvrouw voelde zich oncompleet. Al had ze troost van haar 69 katten, het gevoel was niet compleet.
Dagenlang heeft ze gehuild. Haar katten mochten nog maar af en toe naar buiten. Al hadden zij genoeg aan haar talloze tranen. Eten kwam er niet meer. Proleet had er geen zin meer in. Hij was zijn soulmate kwijt. Ze waren een team, de een stond op de wacht en de andere stal het vlees uit de slagerij. Het kwam niet meer. De katvrouw was ontroostbaar. Ze werd zo zwak vanbinnen dat ze haar haar niet meer uit het raam gooide. Haar katten bleven altijd bij haar. Totdat ze niet meer naar buiten konden. Ze kregen geen eten meer. De katten aten stukje bij beetje meer van de katvrouw af, ze moesten iets. Het sap uit haar oogballen spoot alle kanten op. Het begon met een arm, en het eindigde bij haar stinkende en rottende gebit. De stank was ondraaglijk. Dit was het einde van de katvrouw, alles wat nog van haar over was waren haar haren. Meters lange haren, met spinnende katten erop.
Abonneren op:
Posts (Atom)