donderdag 7 november 2013

Brief aan Miley

Lieve Miley Cyrus,

Sinds jouw strak ingepakte billetjes tegen het geslachtsdeel van Robin Thicke schuurden op de Video Music Awards, ben je hot and happening. Één optreden, misschien duurde het nog geen vijf minuten, en de hele wereld viel over je heen. Eigenhandig zet je een leger op van veel te jonge meisjes die liever ´yolo´ dan ´mama´ roepen. Je bent er bijzonder trots op, zo zeg je zelf.

In je nieuwe programma leg je uit hoe hard je werkt. Je roept wat over je zelfbenoemde ´movement´  en jubelt over hoe je nieuwe video Wrecking Ball zo zwaar beladen voor je was. Misschien is het ook heel zwaar om in een doorzichtig wit topje en nog doorschijnender broekje op een koude ijzeren kogel te zitten. Misschien was het een emotioneel moment toen je je tong over die hamer liet glijden– inclusief hongerigere blik dan je in een gemiddelde pornofilm ziet. Met die blik probeer je de hele wereld te indoctrineren met het Miley-virus. Dat je voor die aandacht wordt herinnerd als ‘die doorgedraaide gek op die sloopkogel’, interesseert je niet. Zolang het geld maar jouw kant op rolt.

Hoewel je een paar jaar geleden nog de brave Hannah Montanna was, lijk je nu aardig van het rechte pad af te wijken. Je wilde haren verloor je letterlijk, maar figuurlijk groeien ze volop. Je was een voorbeeld voor veel jonge meisjes, zonder dat je daar moeite voor deed. Iedereen wilde dat knappe meisje met de mooie blauwe ogen en de lange donkere krullen zijn. Die lange haren zijn inmiddels verruild voor een strakkere opscheer dan die van een gemiddelde Rotterdamse scooterjongen. In die eerst zo vriendelijke helderblauwe ogen staan nu blinkende dollartekens, maar bovenal vraagtekens. Meisjes weten niet meer op wie ze moeten lijken, en jij weet niet meer wie je moet zijn.

Lieve Miley, misschien kun je nog gered worden. Stop voordat je geïnspireerd raakt door je idool Britney en je laatste restje haar het ook moet ontgelden. Duw die sloopkogel van sociale druk en geld de andere kant op voordat je er zelf door verpletterd wordt. Trek een lekkere wollen trui aan over je doorzichtige ondergoed, ga op de bank zitten met een kop thee en houd je tong binnenboord voor een avond. Misschien begrijp je het dan eindelijk: normaal doen is soms gek genoeg.

PS. DIT IS EEN PORTFOLIO ARTIKEL. Bij deze het vriendelijk verzoek dit artikel niet over te nemen zonder toestemming.

donderdag 19 september 2013

Zwarte liefde

Niets liever zou ik willen,
dat ik niet stond te trillen,
toen ik ze weer zag,
je twee helderblauwe ogen

Niets liever zou ik willen,
dat die ogen mij ontweken
we vervreemd van elkaar leken
en jij mij snel voorbij liep

Niets liever zou ik willen,
dat ik jou was vergeten,
je zere woorden niet bestonden
en ik van jou niets had geweten

Niets liever zou ik willen,
dat ik je niet meer had gezien
dat jij uit mijn gedachten kon blijven
en ik dit nooit had hoeven schrijven

Maar niets liever zou ik willen,
dan weer even op dat terras zijn
bedwelmd door die blauwe zee
al week van de witte wijn

Maar niets liever zou ik willen,
dan weer even naar je kijken
niets zeggen
de rest van de wereld ontwijken

Maar niets liever wil ik aan je denken,
Stiekem
terwijl jij verder gaat met je leven
Zonder het verleden
nog aandacht te geven

Dat verleden dat wij zijn,
Witte wijn
Witte lach
Zwarte liefde, misschien
moest het zo zijn.

dinsdag 3 september 2013

Maak je niet druk

'Hoe kan het toch zo zijn dat jij je nergens druk over maakt?'

Je nergens druk over maken. Misschien kan het als je Richard Branson heet, je elke dag een douche neemt in je adamskostuum en checkt of de palmbomen op je eigen privé-eiland er nog mooi bijstaan. Misschien kan het als je Justin Timberlake heet, dansjes hebt gedaan op de VMA's en je geen fanbase hebt omdat de hele wereld fan van je is. Maar misschien kun jij het ook wel gewoon. 

De vraag hier bovenaan werd me gisteren gesteld. Enigszins in de verdediging bazelde ik wat over dat ik me wel eens druk maak over dingen. Toen me gevraagd werd waarover moest ik schrikbarend lang nadenken. De oorlog in Syrië? Nah, te ver weg. Obama en Syrië? Nah, nog steeds te ver weg. De slinkende Nederlandse economie? Nah, ik krijg nog steeds studiefinanciering. Mijn ouders die op vakantie zijn? Vergeet het! Laat ze zichzelf lekker bezatten op dat Griekse eiland.

Om me heen merk ik echter dat mensen zich zo ontzettend vaak druk maken over dingen. 'Ben ik wel goed genoeg voor dit, ben ik goed genoeg voor dat?' Toen ik een tijdje terug begon met solliciteren dacht ik het ook. Elke keer als mijn brief de deur uit ging was ik bang voor mijn mailbox. Wat als ze me niet goed genoeg vinden? Wat als ik nooit een stage vind? WAT ALS?! 

Er is een aardige tijd geweest dat 'wat als' mijn leven heeft beïnvloed. Wat als ik mijn studie niet af kan maken? Wat als ik nooit werk ga vinden na mijn studie? Wat als de Rabobank mij niet aanneemt als schrijver? Wat als mensen me niet goed genoeg vinden? 'Wat als' heeft me slapeloze nachten bezorgd, wallen onder mijn ogen en voornamelijk alleen maar ellende. In een of ander zweverig tijdschrift dat alleen vrouwen met te veel vrije tijd lezen, kwam ik een quote tegen die mijn aandacht trok. Het was iets in de trant van 'laat de toekomst je leven niet bespelen, alle zorgen lossen zichzelf op'. Klinkt allemaal leuk en aardig, hoef ik dan geen zak meer te doen? Het antwoord zal je verbazen.

Ik ging de quote projecteren op mijn eigen leven en alles viel samen. 'Heb ik me toen druk gemaakt?' 'Was het nodig?' Veelal was het antwoord op mijn eerste vraag 'ja' en op de tweede vraag 'nee'. Simpelweg omdat alles zichzelf écht oplost, of het nou positief of negatief uitpakt. Ik heb zoveel tijd weggegooid met het piekeren over dingen dat het bijna beschamend is. De nare gedachten die ik mezelf heb aangepraat hebben me compleet veranderd, en ik heb het niet eens doorgehad. Ik weet dat ik niet de enige ben. Sinds ik in Tilburg woon, voelt het alsof iedereen een onzichtbare 'wat als' tatoeage op zijn voorhoofd heeft zitten. Iedereen rent, iedereen heeft stress en mensen kijken steeds iets minder vrolijk. Kijk maar eens om je heen. Eeuwig piekeren maakt dat je leeft met hoge muur voor je waar je niet overheen kunt klimmen.

Dus Marije, dit is waarom ik me nergens zorgen over maak, of in elk geval een goed geslaagde poging doe. Vergeet die vraag 'wat als'. Als je iets wil, doe het gewoon. Overdenk je zorgen, stel jezelf die twee vragen. Pak een bak koffie, een strohoed en ga in die ligstoel hangen. Wedden dat je je volgende week die sollicitatie de deur uit durft te doen?

PS. Zoals je misschien hebt meegekregen heeft iemand de laatste tijd mijn blogs gejat en gebruikt onder zijn eigen naam. Dit is de reden waarom ik een aantal van mijn (sowieso persoonlijke) blogs heb verwijderd van deze pagina. Ik schrijf voor iedereen, maar daar heb ik geen respect voor. Thanks voor het begrip!

maandag 6 mei 2013

'Als ik vrijkom rasp ik je keel open met een aardappelschilmesje'

‘Als ik vrijkom rasp ik je keel open met een aardappelschilmesje’

De achterkant van de medaille- Door Iris van Iersel

UTRECHT- De 25-jarige Hans van Z., die reeds twee roofmoorden en een roofoverval heeft bekend, is mogelijk ook de dader van de beestachtige moord op de 37-jarige alleenwonende Amsterdamse vrouw Coby van der Voort. Deze moord werd enkele dagen nadat zij gepleegd was op 3 mei van dit jaar ontdekt. De vrouw werd ontkleed gevonden in haar woning aan de Prinsengracht. De schedel was ingeslagen. Beide polsen waren doorgesneden. In haar rug stak een broodmes.
Uit: Utrechts Nieuwsblad, 19-12-1967

Juli 1971. De net veertig geworden Ton van Iersel beëindigt zijn contract bij de reclassering in Heerlen. Voorheen werkte hij in Breda, ook bij de reclassering. Hij begint zich te vervelen op het werk en besluit te stoppen bij de reclassering, op zoek naar nieuw avontuur. Samen met zijn vrouw en drie kinderen van dan acht, tien en twaalf jaar verhuist hij naar Zaltbommel om een baan te zoeken op een meer centrale plek in Nederland. Veel vacatures interesseren hem niet en missen de spanning die hij in zijn leven zoekt. Totdat hem een krant in de hand wordt gedrukt met een vacature in het Pieter Baan Centrum. Het begin van een stormachtige carrière als forensisch milieu-en gedragsonderzoeker.

Augustus 1971. Ton wordt geselecteerd als meest geschikte sollicitant en het Pieter Baan Centrum wordt zijn tweede huis. Elke dag rijdt hij in zijn nieuwe okergele Austin Maxi, door Ton zelf ook wel liefkozend ‘de rijdende ledikant’ genoemd, richting Utrecht. Hij kiest bewust voor een niet te mooie auto en een voor die tijd burgerlijk uiterlijk. Elke dag een donkergroene hoed op om zijn beginnende kaalheid te verbergen, een witte blouse en een pijp in zijn mondhoek. Hij is uit te tekenen met een geruite das om zijn nek, een bescheiden teken van professionaliteit. Zijn voorkomen moest, zo vond hij, voornamelijk onopvallend zijn. Het is een zeer intelligente en beleefde man: hij wil de mensen en criminelen niet de ogen uit steken.

‘Ik legde altijd zijn das voor hem klaar. Toen ik dat een keer vergeten was, ging hij compleet door het lint. Het was een perfectionist, alles moest goed zijn, tot in de kleinste details’

Het Pieter Baan Centrum heeft in de jaren tachtig de bijnaam ‘het luie eind’. Naast het centrum ligt een begraafplaats. Ton grapt daar wel eens over, ‘eigenlijk zijn ze aan twee kanten ter dood veroordeeld’, zegt hij dan. Samen met een forensisch psychiater, psycholoog en groepsleider werkt hij samen om de crimineel te ondervragen, zijn thuissituatie vast te stellen en zoekt hij antwoord op een cruciale vraag: is de crimineel toerekeningsvatbaar? De door Ton geschreven rapportages bepalen hoe zwaar de straf voor de crimineel uit gaat vallen: zijn adviesrapport gaat naar de rechter of het Ministerie van Justitie en bevat informatie over de toerekeningsvatbaarheid, de kans op recidive en een eventuele behandeling van de verdachte. Op zoek naar de achterkant van de medaille.

‘Hij was een man van uitersten. Waar andere mensen zouden stoppen, ging hij door. Hij ging soms zo ver in zijn contact met de crimineel, dat er een vriendschap of juist vijandschap ontstond.’

De behandeling van een ‘patiënt’ –zoals zij het in hun vak noemen, blijkt kort maar extreem intens. In de vroege jaren tachtig tot eind jaren negentig wordt de criminaliteit almaar groter en groter. Drie maanden lang graaft Ton in de achtergrond van de gepakte crimineel. Hij bezoekt hun familieleden en komt vaak dichterbij dan hij zou willen. De rapportages die hij maakt over de crimineel zijn privé tegenover de crimineel zelf, tot grote ergernis van Ton. In het begin van de jaren 80 is de criminaliteit nog erg gesloten. Na slechts een maand werken in het Pieter Baan Centrum probeert hij deze maatregel met man en macht te veranderen en hij eist dat de crimineel zijn eigen rapportage mag bekijken. Zijn verzoek wordt in beginsel niet goedgekeurd. Hij krijgt problemen met advocaten; hij speelt zijn rapportages alsnog door naar de crimineel terwijl dat niet mag. Vooral advocaat Kruijs uit Den Bosch wordt zijn grote vijand.

De eerste maanden in het Pieter Baan Centrum zijn voor Ton als rustig te beschrijven. Op wat kleine akkefietjes na is zijn baan precies wat hij zoekt: druk, vol met uitdagingen en avontuur. Toch verandert die rust vrij snel. De misdrijven worden extremer en Ton krijgt het steeds drukker. Na een maand of vier schudt hij de hand van één van de ‘drie van Breda’, een oorlogsmisdadiger die verantwoordelijk is voor Jodendeportatie en Silbertanne-moorden. Ook maakt hij kennis met seriemoordenaar Hans van Zon, wapenhandelaar Paul Anton Wilking en Slobodan Radojev Mitrić (Karate Bob). Het lot en de toekomst van deze grote criminelen ligt deels in handen van Ton, en de criminelen weten dat maar al te goed. Deze ontmoetingen leiden tot extreme bedreigingen die niet alleen het leven van Ton maar ook van zijn familie veranderen.

‘Hij zei wel eens tegen me als het over zijn werk ging: ‘het is godverdomme geen felicitatiedienst’. Maar juist die kant van de samenleving, de zwarte, grauwe kant, dat was wat hij zocht.’

Hoewel de ruimtes in het Pieter Baan Centrum stuk voor stuk zwaar beveiligd zijn, gaat het op een zeker moment bijna mis met Karate Bob. Als Ton de cel wil verlaten omdraait rukt de sterke karateman Mitrić aan zijn arm. Omdat Ton een kleine, iele man van nog geen 1,70 meter is blijkt hij machteloos. Hij wordt door ‘Bob’ in een hoek gedreven en binnen korte tijd flink toegetakeld. Vol met bulten, sneeën en blauwe plekken verlaat hij snel zijn cel. Daar blijft het niet bij. Eenmaal ontsnapt aan de agressie van Mitrić worden hem de ergste dingen toegefluisterd. ‘Wacht maar tot ik weer vrij ben en voor je deur sta. Ik rasp je keel open met een aardappelschilmesje, plakje voor plakje.’

Najaar 1975. Ton krijgt het regelmatig zwaar te verduren. Omdat het drukker wordt in het Pieter Baan Centrum, heeft hij soms wel vijf cliënten tegelijk. De observaties in combinatie met alle bedreigen worden hem bijna te veel. Thuis vertelt Ton wel wat dingen aan zijn vrouw, maar zijn kinderen neemt hij in bescherming. Als hij voor de zoveelste keer toegetakeld thuiskomt besluiten hij en zijn vrouw toestemming te vragen voor het bezit van een revolver. Dit verzoek wordt goedgekeurd en het wapen neemt plaats in het nachtkastje aan Ton’s kant van het bed. Hun naamplaatje wordt van de deur gehaald en vanaf heden leeft de familie van Iersel in angst en anonimiteit.

Ook thuis ontvangt Ton diverse bedreigingen, maar verder dan woorden komt het niet. De criminelen blijven met hem bezig. Ook na hun vrijlating wordt Ton nog aangevallen. Vaak zijn de criminelen lam van de drank en/of verdoofd van de pillen als zij de brieven sturen, maar dat maakt de dreigementen niet minder erg.  Ook zijn vrouw en kinderen worden lastiggevallen.

‘Vreemde mensen belden naar ons huisnummer om te vragen of Ton thuis was. Voor alle zekerheid noteerde ik alle nummers. Mensen liepen voorbij in de straat en keken opvallend lang naar binnen. Ik vertelde hem om altijd achterom te kijken’

Januari 1979. Na acht jaar werken bij het Pieter Baan Centrum krijgt Ton lichamelijke en mentale klachten. Hij wordt steeds magerder en zijn huidskleur wordt gelig. Het blijkt dat Ton leukemie heeft. Hij werkt nog twee jaar door, ondanks dat hij zijn persoonlijke doel al heeft bereikt- de crimineel mag vanaf nu zijn eigen dossier inzien. In 1981 stopt Ton bij het Pieter Baan Centrum. De criminele contacten en het mentaal zware werk worden hem te veel. Hij besluit terug te gaan naar de reclassering, maar nu in Den Bosch.

Ondanks dat hij in 1981 vertrekt, blijft Ton geïnteresseerd in de mens achter de crimineel. Ook in de criminelen die hij heeft behandeld. De meeste criminelen zitten niet hun volledige straf uit en komen weer in de maatschappij terecht. Regelmatig komen Ton en de vrijgelaten criminelen elkaar weer tegen, waardoor zijn werk in het PBC hem blijft achtervolgen. Hij onderhoudt contacten met onder andere de beruchte Hans van Zon en zijn vriendin. Dat leidt tot problemen. Zijn kinderen verklaren hem voor gek. Hij blijft hangen in zijn werk op het Pieter Baan Centrum in plaats van dat hij geniet van zijn rustigere baan. De vrouw van Ton raakt bevriend met de therapeute en vriendin van van Zon, Riet van der Brink. Dat contact stopt in 1994, een jaar voordat van Zon en van der Brink uit elkaar gaan.

De laatste twintig jaar van zijn leven leeft Ton minimaal. Hij is verzwakt door zijn ziekte en het werk heeft hem mentaal zwaar beschadigd. Hij raakt overspannen en krijgt een vitale depressie. Zijn rust is hij kwijtgeraakt na het werken in het Pieter Baan Centrum en hij slaapt slecht. Over zijn tijd daar praat hij inmiddels niet meer. Hij overlijdt in 2001 aan leukemie. Hij is dan zeventig jaar.

zondag 3 maart 2013

Ik reed een dag mee met een vuilnisman


Het is nog vroeg in de ochtend als ik uit de bus stap bij de James Cookweg. Vrachtwagens rijden af en aan langs het industrieterrein waar ik zometeen moet zijn. Het is nog vrij donker buiten, de lucht kleurt onheilspellend zwart. Door de regen baan ik mij een weg richting de milieustraat. De geur van vers afval komt me tegemoet en ik weet dat ik goed zit. Achter een enorm lang hek langs de weg liggen bergen van tientallen meters met daarin stukken tegels, onherkenbare stukken metaal en restafval. Terwijl ik het terrein van Sita op loop hoor ik Sting zijn laatste toepasselijke woorden uit mijn iPod zingen: ‘I’m an alien… i’m a legal alien… I’m an Englishman in New York’
 
Nog voordat ik de deur van de groene portocabin open wil maken, komt locatieleider Mark Brouwer met een brede lach naar buiten gelopen. Met zijn nette blouse, strak naar achter gekamde haar en spijkerbroek is hij allesbehalve een man die je verwacht op een afvalverwerkingsbedrijf. ‘Kom binnen! Ik zie dat je het gevonden hebt. Wees welkom’, klinkt het met een licht Limburgs accent. Ik geef hem een stevige handdruk en loop via de rookruimte, een gangetje met acht krakkemikkige stoelen, naar binnen. 

Eenmaal binnen legt Mark enthousiast uit over het bedrijf. Hij vertelt me dat het vandaag een bijzondere dag is. Vandaag wordt er gereden in Horst, waar afval op een nieuwe manier wordt gescheiden. Omdat ik in verband met veiligheid niet op de vrachtwagens mee mag rijden, mag ik vandaag mee met opzichters Danny Strijbos (31) en Hans Buursma (50). Chauffeur Danny stelt zichzelf kort voor en loopt naar de koffieautomaat. Normaal gesproken staat hij op de wagen, maar hij is nu opzichter omdat hij tijdelijk het werk van Hans overneemt. Iedereen krijgt een bak koffie in de hand geduwd. Ik krijg nog wat uitleg van Mark en een fluorescerend hesje van Danny- ‘omdat we niet willen dat je zomaar wordt aangereden’- en we zijn klaar om te gaan. 

Er rijden al een aantal wagens in Horst. Daar staat voor elke deur een mini containertje, een verzameling plastic zakken en een grote container. Keukenafval, drankpakken, blik en plastic wordt allemaal door aparte wagens opgehaald. Het is de taak van Danny om te kijken of de mannen op de wagens hun werk goed uitvoeren. Danny stapt als eerste in het witte Mercedes busje. Hans stapt achter in, zodat ik voorin mag zitten. Danny zit nog niet of het gaat al mis. ‘Kut, de autosleutels Hans! Waar zijn ze? Ik deed net de deur nog open!’ zijn de woorden die lijden tot een verwoede zoekpoging. ‘Kijk, zo zijn vuilnismannen’, vertelt Hans. ‘Een kop als een vergiet’. Hans is de enige vuilnisman die zonder Limburgs accent praat. Hij vist een reservesleutel uit zijn feloranje jasje en we rijden het terrein af.

Onderweg naar Horst leer ik de twee mannen beter kennen. Hans legt uit waarom hij vandaag achter in de auto zit. ‘Ik ben net herstellende van een paar beroertes. Ik hoor eigenlijk achter het stuur te zitten, maar ik mag niet meer rijden. Na al die ongelukjes heb ik een zenuwaandoening in mijn arm. Goed kut.’ Hans heeft zes maanden thuis gezeten en heeft een jaar beleefd dat lijkt op een slechtgeschreven script van Goede Tijden Slechte Tijden. ‘Mijn oudste dochter reed zichzelf dood, ik ben gescheiden van mijn vrouw en toen nog die beroertes. Oh, en ik kan niet meer rijden. Maar vandaag ben ik hier, gezellig meerijden met ons Danny en Ilse.’ ‘Ze heet Iris, sukkel’, lacht Danny er achter aan. Ik ben zo overdonderd door zijn verhaal dat mijn lach te laat komt.

Na een paar minuten rijden spotten we de eerste wagen. Deze speciale wagen haalt het keukenafval op. Achterop de wagen zwalkt een jongen van een jaar of twintig op een kleine voetsteun. Incognito blijkt het witte busje waarin we rijden allerminst. ‘Danny jong!’ klinkt het vanuit de cabine. ‘Hesse Hansie beej?’ De vrachtwagen stopt op het midden van de smalle weg en Danny zet het busje achter de wagen. We stappen uit en gaan achter de wagen staan. ‘Hansie! Bisse d’r oak weer beej jong’ klinkt het enthousiast. Hans schudt de hand van de drie mannen en rolt een sjekkie. Achter op de wagen hangen twee kapotte camera’s, opgeknoopt met een stuk plastic. ‘Voor de veiligheidscontrole’, zegt Hans met een knipoog.

Terwijl Danny een pak shag uit zijn jas vist controleert hij de wagen. Uit de cabine komen twee mannen gestapt. Ze steken hun sigaretten aan en er wordt wat gepraat over de route. ‘Bisse al in ’t  buitengebied geweas?’ vraagt Danny terwijl hij een filterpapiertje uit zijn pakje Rizla trekt. ‘Joa joa Danny baas!’ klinkt het antwoord. ‘Des moei!’ reageert Danny goedkeurend. Hij blaast de rook van zijn zware shag uit en kijkt langs de wagen. Er wil een auto langs. ‘Hes dich häös ofzoe?’ roepen de mannen verontwaardigd wanneer de auto de berm in scheurt. De bestuurder kijkt kwaad. De peuken van Hans en Danny komen tot hun einde en worden op de grond gegooid. ‘Haije jongens!’ roepen ze en we stappen weer het busje in.

Hooguit vijf minuten en een kilometer verder zien we de volgende wagen bij een tankstation. Deze mannen hebben pauze. Danny slingert de auto naast de wagen, die twee soorten afval ophaalt. De chauffeur klimt uit de cabine en springt naar beneden. De huid van de chauffeur is als een canvasdoek bedekt met tatoeages. In zijn wenkbrauw, kin en oor zitten piercings. Zijn hoofd is kaal. Hij neemt een hap van zijn broodje en biedt Danny en mij een sigaret aan. Wederom worden de sigaretten aangestoken en Danny laat me de wagen zien. ‘Dit is een hele speciale wagen. Ze halen twee soorten afval op. Maargoed, daar zie je nu geen flikker van omdat ze pauze hebben.’ De route van de dag wordt overlegd en het is tijd om Hans weer af te zetten.
_
Eenmaal onderweg vraag ik wat meer over de achtergrond van de twee mannen. Danny vertelt me dat hij per toeval tien jaar geleden als vuilnisman begon. ‘Toen ik van school af kwam leek het me wel cool om op de kermis te werken. Ik was jong. Ik kwam bij een familie terecht en deed de hele dag zwaar werk. Ik was doodongelukkig en leefde vier jaar lang geïsoleerd. Ik had niemand. Via een uitzendbureau kwam ik bij dit baantje terecht. Het boeide me toen allemaal niet zo veel,  toch ben ik nooit meer weggegaan. Dit is mijn familie. De mannen zijn mijn kameraden.’ Danny kijkt tevreden voor zich uit. Dat hij die kameraden moet controleren en wijzen op hun fouten, hoort erbij. ‘Het is soms gewoon klote, maar vuilnisman zijn is geen grap, zoals veel mensen denken. De mannen kunnen vallen en botten breken als ze zich niet aan de regels houden. Dat is het laatste wat ik wil.’

We rijden het terrein van Sita weer op en Hans springt uit de auto. Zijn vrijwillige ritje houdt hier op. Ik bedank hem voor het meerijden en schud hem de hand. Ik grap nog wat en vraag hem hoe ik ook alweer heet. ‘Iris’, zegt hij met een grijns. ‘Iris. Dat vergeet ik nooit meer.’ Ik zwaai hem na en voor de tweede shift begint is het tijd voor pauze. In het rokersgangetje zitten vuilnismannen Marnix, Cor en Danny op een rij. Ze zitten elk op een campingstoeltje. De stalen neuzen van hun schoenen wijzen mijn kant op. Er wordt in stilte gerookt. De kringetjes rook dansen in de wind. Ik voel me een beetje ongemakkelijk totdat ik me realiseer dat het normaal is dat deze mannen elkaar weinig te zeggen hebben. Ze werken namelijk elke dag, soms zes dagen in de week, op dezelfde wagen, met dezelfde mensen. Ik neem binnen een kijkje en spot tot mijn verbazing een damestoilet. Zonder slot.

Terug buiten vraag ik verbaasd naar het damestoilet. Het blijkt dat er één vrouw werkt tussen ongeveer vijftig mannen. ‘Maar die werkt ons er helemaal uit’, roept Danny. In mijn hoofd teken ik schetsen van hoe een vuilnisvrouw er in vredesnaam uit moet zien. Mark steekt zijn hoofd om de hoek en legt uit dat het een echte mannenwereld is. ‘Het is en blijft zwaar werk. Het is niet zo dat het niet te doen is, maar ja… afval en vrouwen…’ Mark grijnst een beetje. Uit de telefoon van Danny klinkt een ringtone. Hij loopt naar binnen en bereidt zich voor op de tweede shift. In de tussentijd mag ik van Mark een toelatingstest doen. Eens kijken of ik iets geleerd heb vandaag. 

De test bestaat uit een aantal onderdelen die je nodig hebt om jezelf volwaardig vuilnisman te kunnen noemen. Het eerste onderdeel bestaat uit de basisveiligheid. De vragen zijn op erg laag niveau en héél toevallig is elk lang antwoord juist. Ik ben dan ook niet heel zenuwachtig wanneer ik op ‘resultaten’ klik. Van deze toets heb ik uiteindelijk achttien van de twintig goed. Ik wil opscheppen bij Mark, maar die zit aan de telefoon. Ik besluit nog een test te doen. Kraakperswagens. Deze test blijkt nog simpeler dan de eerste en wederom heb ik achttien vragen goed. Mark kijkt verbaasd op wanneer ik sta te juichen en nog verbaasder wanneer ik zeg dat ik geslaagd ben voor de twee toetsen. Mijn dag zit er op en ik kan mijzelf officieel vuilnisvrouw noemen. De tweede van Venlo. 

Ik bedank Mark dat ik langs mocht komen –wil je echt niet nog een bakje koffie?- en neem afscheid van Danny die aan zijn tweede shift gaat beginnen. ‘Het was kei gezellig hé!’ roept ‘ie. ‘Zeker! Bedankt!’ roep ik terug en ik zie een van de bijzonderste mensen die ik ooit heb ontmoet uit mijn gezichtsveld verdwijnen. Ik zet mijn iPod aan en druk Sting weg. Niks Englishman in New York. Ik was een alien op Mars.

maandag 10 september 2012

Het kind dat niet groot wordt



Stel je voor, je bent een kerngezonde vent, je verdient genoeg geld om een gezin te onderhouden. Je droomt van een kindje, maar samen met je vrouw lukt het niet. Wat doe je dan? Simpel, je adopteert een kind. Stel je nogmaals voor, je bent een gelukkig getrouwd homoseksueel stel met genoeg geld om een gezin te onderhouden. Jullie dromen van een kindje. Dat is even jammer, jij mag niet gelukkig niet zijn. Stel je voor, je leeft in een land waarin de SGP aan de macht is.

Sinds 1918 is de Sociaal Gereformeerde Partij een begrip in Nederland. Als het aan de partij ligt is de man het hoofd van de vrouw. Het regeerambt is voor de man, net als zo’n beetje elke andere manier en vorm van werk. De vrouw is niet veel meer dan een broedkip die zoveel mogelijk eieren moet leggen. Is de broedkip zwanger gemaakt door verkrachting, mag het kind niet worden geaborteerd. Stel je voor, je kijkt naar je pasgeboren kind, barst in huilen uit en wordt de rest van zijn of haar leven herinnerd aan de dag dat je je eigenwaarde verloor. Stel je voor, je leeft in een land waar de SGP aan de macht is.

Begrijp me niet verkeerd, de Christelijke grondslag van de partij stoort mij totaal niet. Het zal mij een worst wezen of iemand in God gelooft of in Hans Cristian Andersen. Wat mij stoort is de ouderwetse manier van denken van de partij. Nederland verandert, maar de SGP is nog steeds die partij van bijna honderd jaar geleden. Het kind dat oud wordt, maar niet volwassen. Het kind dat loopt in oude, verwassen kleding, toe aan vernieuwing. Stel je voor: homo’s zijn ook gewoon mensen, vrouwen hebben hun handen en benen niet voor niets gekregen en het is helemaal niet zo gek om abortus te laten plegen na een verkrachting. En het mooiste van alles: we hoeven niet langer verplicht met zijn allen op zondag achter de geraniums te wachten totdat de maandagochtend roept. Stel je voor, de SGP is ontwaakt uit haar lange middagdutje.

woensdag 5 september 2012

Brief aan Roemer

Lieve Emile Roemer,

Arme, arme Roemer. Je begon zo lekker. Als boegbeeld van de Brabantse gezelligheid met een zachte G sta je sinds 2010 je mannetje -of michelinpoppetje- bij de partij der socialisten. Nederland vindt je te gek, Nederland herkent zich in jou. Een vriendelijke Bourgondiër, voormalig leraar en familieman die leeft tussen de mensen. Door die herkenning heb je een dikke streep voor op je concurrenten. Als prima teler breng je de tomaat naar ongekend formaat.
Eerlijk is eerlijk, het was wel een keer verfrissend om een gezellige kop te zien tussen al je chagrijnige collega’s in Den Haag. Noem een Alexander Pechtold. Alexander heeft een bruisend leven. De hele dag trekt hij een gezicht alsof er een drol klemzit tussen zijn witte kadetjes. Het weekend is niet veel spannender. In zijn vrije tijd zingt hij politiek correcte liedjes met een Leids balletjesaccent terwijl hij zijn favoriete en behoorlijk seksloze hobby uitoefent: houthakken. Maar nee, Roemer, zo ben jij niet. Het is niet gek dat jongeren jou kozen als favoriete politicus om een nachtje mee door te zakken in de kroeg. Jij bent de kleinzoon die oma in de wang wil knijpen, de man met de eeuwige lach. Helaas viel er tijdens het premiersdebat weinig te lachen.
Je vrolijke gezicht leek opeens op het gezicht van een kind dat voor het eerst naar de peuterspeelzaal wordt gebracht. Angst. Je kreeg miljoenen onzichtbare vuisten in je gezicht toen je begon over het aantal kinderen dat leeft onder de armoedegrens. Je zat er een krappe honderdduizend kinderen naast. Misschien heb je de cijfers verwisseld met een vage staat in Afrika, misschien had je een nachtmerrie gehad over de Oompa-Loompa kleur en overgebleekte tanden van Geert Wilders. Misschien stond je een avond van tevoren aan de bar met een fles tequila in je hand je tekst door te nemen, terwijl Brabant van Guus Meeuwis uit de speakers knalde. Wij zullen het nooit weten, maar we nemen het je wel kwalijk. Dit soort fouten kun je je niet veroorloven. Je uh’tjes overstemden het hele debat en zo gingen Wilders, Rutte en zelfs nieuwkomer Samsom als een wals over je heen. De laatste vuist in je gezicht kreeg je van de peiling. Vier zetels verlies. Auch.
Lieve Roemer, ben je echt gelukkig zo? Hoor je in een pak rond te lopen tussen de balletjes van Nederland? Het antwoord was eigenlijk wel van je gezicht af te lezen. Al doe je het best aardig, bespaar jezelf de ellende. Word geen houthakker. Blijf een Brabander, gezellig in de tuin tussen de familie en mensen waar je van houdt. Want dat is waar je hoort. Achter de barbecue, biefstukjes bakken voor iedereen. Mèt versgeplukte tomaatjes ernaast.
Groetjes, Iris van Iersel

dinsdag 24 juli 2012

Vogelnest

Zomer 2012. Na een natte droom over een warme staaf van ongeveer 38 millimeter breed word ik wakker. Alleen, zoals wel vaker. In een leeg huis. Prima. Mijn dag begint met het kijken van te bruine benen, te gelukkige mensen en vooral veel alcohol op Facebook. Niet echt iets om vrolijk van te worden op momenten dat je liever verdrinkt in zelfmedelijden. Kijkend in de spiegel lijk ik overreden door een trekker. In mijn haar zouden zich prima een aantal vogeltjes kunnen nestelen. Tijd om iets te maken van mijn leven. Vandaag gaat het gebeuren.

Als een breezerige bakvis meld ik mijzelf aan op msn in de hoop dat er meer trieste thuisblijvers zijn zoals ikzelf. Blijkbaar niet. In een vlaag van verstandsverbijstering zie ik dat mijn beste vriendinnetje aangemeld is. Vrienden. Mijn wanhopige smeekbede begint hier. 'Heb je zin om mee te gaan naar....' typ ik terwijl ik zie dat ze alweer offline is gegaan. Ik ben inmiddels verdronken in de Marianentrog.

Ik maak mijn dromen dan maar alleen waar. Door Den Bosch lopen met een stapel roze wolken met hartjes en een warme staaf van rond de 38 milimeter in mijn hoofd. En wanneer ik iets in mijn hoofd heb, wil ik het hebben. Rondtippelend op mijn hakken ga ik recht op mijn doel af. Ik kijk mijn doel recht in de ogen. Je wordt van mij. Mijn handen worden klam, de zenuwen gieren door mijn lijf. Mijn dag wordt gemaakt, speciaal door jou.

In een hoekje in de binnenstad van Den Bosch ruk ik mijn warme staaf uit de verpakking en beleef ik dat speciale gevoel. Een gevoel dat je het meest intens beleefd wanneer je alleen bent. De plastic geur negeer ik maar. Dit is een van de mooiste roze knotsen die ik ooit gezien heb. Een gelukszalig gevoel trekt over mijn lichaam. Terwijl de stoppen in mijn lijf doorslaan pak ik de knots vast en draai hem in mijn vogelnestje.
Ik heb een nieuwe krultang.

zondag 29 april 2012

Vriendenboekje

Zondag is mijn favoriete dag van de week. Gewoon omdat ik even niet hoef te denken, niets hoef te doen en op mijn eigen kamertje ingesloten muziek kan luisteren zonder dat iemand iets van me vraagt. In mijn kleine paradijs staan naast een boel kledingkasten en te veel paar schoenen een paar boeken in de kast. Een daarvan is mijn favoriet. Het mooiste is dat het boekje niet één auteur heeft, maar een heleboel. Mijn vriendenboekje.

Het boekje neemt me terug naar een paar jaar geleden. Toen ik jong was, toen ik nog geen stress had om mijn toekomst. Toen ik nog niet wist dat ik journalistiek zou studeren en daar misschien na twee jaar mee zou kappen. Toen ik geen geldproblemen had, maar gewoon tevreden was met mijn paar gulden zakgeld in de week. Vriendjes om me heen, klasgenootjes zelfgestampte bessen voeren (de beste jongen was een paar dagen ziek daarna) en op kamp gaan. Onbezorgd spelen, tot ik naar de middelbare school ging. Alle klasgenootjes staan in het boekje. De een met de meest afschuwelijke glitterstickers erbij geplakt, de ander met een gedicht vol met spelfouten.

In die tijd had niemand een mobieltje, behalve ik. Ik was een jaar of elf, en in het bezit van de enige telefoon van het schoolplein. Ik was beroemd. Een Nokia 3310, hoe cliché. Zonder kleurenbeeldscherm, zonder camera. Internet was uit den boze. Die van mij was anders dan die van anderen: hij had een rood hoesje van plastic. Met glitters uiteraard. Na het spelen in de modder en het klaarmaken van een giftig goedje van bessen en takjes vochten mijn klasgenootjes op het schoolplein wie een spelletje snake op mijn telefoon mocht spelen. Wat een tijden waren dat.

Gewoon een zondag, waarop ik in de bus stap. Naast me zit een meisje van rond de 13 met een Blackberry en oordopjes in. Jason Derulo knalt er zo hard uit dat ik mijn eigen Oasis niet meer kan horen. Haar wenkbrauwen zijn getekend met zwart potlood en haar ogen dik van het oogpotlood en de mascara. Haar kauwgom klapt wanneer ze haar tanden in het roze ding zet. Het meisje kijkt gemeen naar twee anderen voor ons, één Nickelson en één typisch sukkeltje. Het sukkeltje en de Nickelson zijn bevriend. Blackberry kent het sukkeltje en de Nickelson. Vrienden zijn ze echter niet. 'Wat kijk je nou, Blackberry? Je bent een hoer.' Waarop Blackberry verontwaardigd roept: 'Ik ben dan wel een hoer, maar ik word tenminste geneukt. Jullie mochten willen dat iemand een pik in jullie stak.' 'Kankerkind!' 'Teringwijven'. Waarop ze hun telefoons pakken en allemaal even lelijk kijkend hun vrienden inlichten over de kankerkinderen door wie ze zojuist uitgescholden zijn. Wanneer Blackberry uitstapt lacht ze nog even gemeen naar Nickelson, waar een vuile blik op volgt: 'Ik pak je nog wel op school, vuile kankerhoer.'

Tijdens dit hele voorval houd ik me stil en op de achtergrond. Ik denk aan het boekje waar ik zojuist in heb gekeken. Naar mijn idee ben ik vroeger best een vervelend kind geweest. De enige met een mobiele telefoon, terwijl ik de telefoonnummers in mijn lijst op één hand kon tellen. Tegenwoordig heeft iedereen een Blackberry of een iPhone, is iedereen cool en krijgt elk kind een te dure plastic jas van hun ouders met een afgeslachte kat (of schaamhaarbos, als het een neppert is) aan de capuchon. Bijna elk kind van 13 jaar rookt, heeft wel eens een blowtje gedaan en moet lachen als de leraar 69 op het bord schrijft. Ze gebruiken kanker net zo vaak als het lidwoord 'en', krijgen bergen geld van papa en mama- het kind heeft papa en mama overigens onder de duim in plaats van andersom-, ze hebben allemaal een eigen laptop en een Facebook account waarop ze 20 keer per dag vertellen dat ze aan het schijten zijn.Wat had ik toen ik 13 was? Een beugel, een Nokia en een baantje in de kas. Eigenlijk was ik heilig, vergeleken met dit geteisem.

Terwijl ik uit moet stappen bij de bushalte, staat Blackberry voor me op. Terwijl ze opstaat blijven haar ogen gericht op haar beeldschermpje. Ik beeld me haar gezicht in wanneer haar Blackberry batterij leeg is en kan mijn lach niet onderdrukken. Bedank haar vriendelijk voor het opstaan. Geen respons. Ze zit alweer ver in haar sociale wereld.

Het verschil tussen de 13-jarige kinderen tegenwoordig en de 13-jarigen van een aantal jaar geleden is al net zo groot als het heilige lichaamsdeel van Ron Jeremy. Ik vraag me af of kinderen van tegenwoordig wel een jeugd hebben gehad. Of ze wel eens hun klasgenootje hebben vergiftigd met zelfgeplukte bessenprak. Of ze een vriendenboekje hebben met lelijke glitterplaatjes. Want eigenlijk is dat wat hoort. Leven, buiten zijn en de wereld verkennen. Een ontdekker zijn, een piraat of prinses in plaats van een hoerig uitziende vuilnisman in een plastic jas met te dunne wenkbrauwen. Bizar. Volgens mij ben te laat geboren. Of precies op tijd.

Want godsamme, wat was ik een saai kind. Met een vriendenboek.

zaterdag 17 maart 2012

Een dag in een mensenleven

Vrijdag 16 maart. Nederland staat in het teken van goede, mooie dingen: Het is vrijwilligersdag bij NL doet. Ook ik moet er aan geloven. Vandaag ben ik de beste vriend van een zwaar gehandicapte. Vandaag denk ik niet aan geld, vandaag denk ik aan goed. Vrijwilliger zijn zit niet in mijn aard, om het beleefd te zeggen. Ik ben een materialistisch kreng dat denkt in geld en spullen. Bang ben ik. Bang voor mensen die anders zijn dan ik. Vanaf vandaag is alles anders. Ik ben niet bang voor kwijlende oude mensen, ik ben bang voor de keiharde waarheid.

Die keiharde waarheid vind ik in de vorm van een persoon in een rolstoel. Terwijl ik samen met 'een van de betere' cliënten op pad ben, Loes, kijk ik naar een zeer ongelukkig uitziende persoon in een rolstoel. Ans heeft een voedingssonde en kan niet praten. Door middel van krijsen, schreeuwen of huilen laat zij haar emotie de vrije loop. Ans gaat, na lang aandringen, mee op deze vrijwilligersdag. Een uitje naar de schaapskooi in Ottoland. Of Ans er zin in heeft weet niemand, maar ze gaat mee. Ans heeft vandaag niet te maken met een vrijwilliger, daar is ze 'te slecht' voor, aldus haar vaste begeleidster. Haar begeleidster is niet wie je verwacht. Je verwacht een meelevende vrouw van midden 40 die gespecialiseerd is in billenwassen en theekransjes. Maar nee, naast Ans loopt een meisje van 18 jaar.

Terwijl Loes gezellig in mijn zij port en schreeuwt hoe leuk ze me vindt, kijk ik voorzichtig richting Ans. Eenmaal aangekomen kijkt ze wat ongelukkig naar beneden. Ze gilt zomaar uit het niets. Het meisje praat rustig tegen haar aan en vraagt of ze wil dat haar jas uitgetrokken wordt. Ze reageert niet, maar gilt ook niet meer. De jas wordt uitgetrokken en Ans lijkt te kalmeren. Het meisje lijkt haar gedachten te kunnen lezen. Er komt een vriendelijke vrouw langs die ons vraagt of we misschien een plakje ontbijtkoek willen. De begeleidster van Ans fluistert haar toe dat ze dat niet mag. Ans krijgt namelijk voeding binnen via een slangetje. Ans wordt overgeslagen en de schaal met plakjes ontbijtkoek maakt het rondje af. Opeens stromen de tranen over haar wangen. Dit zijn geen tranen voor aandacht, dit zijn tranen van verdriet. Echt verdriet. De begeleidster pakt Ans bij haar schouder en troost haar. ''Het is jammer dat je niet kunt eten zoals ieder ander, maar alles komt goed. Ik ben hier voor jou en niemand anders.''

Terwijl Loes voor de zevenduizendste keer roept hoe leuk ze me vindt, besef ik me ineens met wie ik allemaal te maken heb. Ik bevind mij in een kring met mensen die niets begrijpen van de wereld om ons heen. Als ik mijn iPhone pak word ik vreemd aangekeken door Loes. Ze vraagt aan mij wat ik in mijn handen heb. Ik leg haar uit dat het een ding is waarmee je met mensen kunt praten. Loes lacht en zegt dat ze me leuk vindt. Ik lach terug. Naast ons zit P. P. durft geen contact te zoeken met mensen. Hij is zowel zwaar lichamelijk als geestelijk gehandicapt. Hij staat om de paar minuten op, schreeuwt dan even en gaat weer zitten. Niemand kijkt er van op, behalve ik. Naast hem zit A. A. is een oudere man die veel plezier lijkt te hebben. Hij vraagt aan me of ik samen met hem wil zingen. Hij kent geen liedjes, maar bedenkt ze zelf. Toch zing ik mee, alsof ik het ken. Totdat hij me beetpakt. Hij lijkt angstig en vraagt hoe laat ik in de avond naar bed ga. Ik zeg hem dat ik rond 11 uur naar bed zal gaan. A. vraagt aan mij of hij dan mee mag, zodat hij niet alleen is. Ik lach en zeg hem dat hij altijd langs mag komen waarop de angst plaats maakt voor twee rode wangen en een brede lach.

De eerste paar mensen mogen een kijkje nemen in de schapenstal. Honderden schapen stuntelen over elkaar heen tussen het hooi terwijl de fotograaf van de krant binnen komt lopen. Ik schud hem de hand en vertel hem dat ik degene ben die het stuk gaat schrijven. Loes is er als eerste bij. Ze port me voor de zoveelste keer in mijn zij en roept hoe spannend ze het vindt dat ze in de krant komt. Ze wordt op de foto gezet door de fotograaf en straalt. ''Ik kom in de krant!'' galmt door de stallen. Ze is door het dolle heen. Ik ben blij voor haar maar realiseer me ook dat Loes de echte wereld niet kent. Ik weet dat mensen met vooroordelen deze krant zullen lezen, mensen die anders zijn dan zij, en waarschijnlijk het beeld 'zielig' bij haar hebben. Voor dit moment maakt het niet uit. Loes geniet.

Het is tijd om te gaan. De cliënten hebben hun medicijnen genomen, ze hebben de schapen gezien. Iedereen is moe maar voldaan. Ans heeft een mooie knuffel gekocht voor haar verzameling. Loes roept nogmaals in mijn oor hoe geweldig ze alles heeft gevonden. Als ik iedereen gedag heb gezegd, handjes heb geschud en Loes voor de laatste keer in haar zij hebt gepord loop ik de deur uit. Een oase van rust. Helemaal overdonderd. In een moment van rust flitst mijn hele leven voorbij en realiseer ik me opeens wat ik heb.

De middag met deze mensen heeft mijn ogen niet geopend, het heeft mijn wenkbrauwen erbij gelift. We zijn niet bang voor  zwaar gehandicapte mensen. We zijn bang voor de waarheid. Dit zijn geen mensen om bang voor te zijn, dit zijn mensen om diep in de ogen te kijken. Een spiegel voor onszelf. Toch ben ik geschrokken. Geschrokken van hoe het ook kan zijn, van hoe ik had kunnen zijn, bewust van de last en het verdriet dat een familie heeft. Aan de andere kant denk ik aan de gelukkige mensen die ik heb ontmoet. Die nog gewoon blij zijn met een dagje uit tussen de schapen. Ik weet dat geluk hem niet in materialisme zit. Geluk zit in jezelf.

Het respect wat ik heb voor de vrijwilligers van vandaag is enorm groot. Het geduld, de kalmte en de professionaliteit. Dag in, dag uit. Lachen en laten gaan zodra je de deur uit loopt. Ik ken mezelf, ik kan dit niet, nu nooit en nooit niet. Ik kan het met moeite één dag volhouden. Daar tegenover staat dat ik meerdere mensen een onvergetelijke dag mee heb zien maken. Ik schaam me voor mezelf. Voor mijn vooroordelen. Wat is nou één dag om iemand gelukkig te maken, het mooiste cadeau dat je kunt krijgen? Één dag in een mensenleven?

* Alle namen zijn gefingeerd in verband met privacy

dinsdag 3 januari 2012

Nova Zembla, het heuvellandschap

Lieve, mooie, rondborstige Doutzen,

Je hebt het allemaal. Je bent de mooiste vrouw van Nederland. Gewoon een klassieke schoonheid. Een leuke man met een goed salaris en zelfs een kindje. Een lichaam to die for. Honderden setjes lingerie van Victoria's secret. Volle lippen en helderblauwe ogen. Als ik Doutzen zie, wil ik met haar trouwen. Ik zou zelfs een kind met haar adopteren. Een klein negertje uit Kenia. Al had ze niks te vertellen, zolang ik naar haar kan kijken is het goed. Want zo'n mooi stukje Friesland kun je in de hele provincie niet vinden. Oh ja, ik houd van Doutzen, net zoals bijna heel Nederland doet. Sinds kort deed ze alleen iets twijfelachtigs. Nova Zembla.

Bij de eerste scene van de film hoor je een klak. Niet in de film, maar in de zaal. Een klak van alle (mannelijke) kinnen die op hun borst vallen. De eerste keer dat Doutzen op het doek verschijnt kijkt waarschijnlijk niemand naar haar stralend blauwe ogen. Misschien een verdwaalde homo of wat zenuwachtige tienermeisjes. Menig man moet met zijn handjes naar beneden gaan om die bobbel in hun broek te verbergen bij het zien van die heuse bergjes in dat strakke korset. Alle vrouwen kijken neerbuigend weg van het scherm of werpen een vuile blik op vriendjelief in de bioscoopstoel naast hen. Waarop de oogjes zich weer voorzichtig op de bovenkant van het scherm zullen richten.

Ik heb me verbaasd over de manier waarop haar borsten in dat te strakke korset zitten. Ik kreeg een soort waanbeelden van Doutzen, voorovergebogen, drie mensen er om heen met een taperol die haar pronte voorgevel zo strak vast plakken dat ze geen adem meer krijgt. Dat wanneer ze rechtop staat haar borsten het perfecte heuvellandschap vormen dat iedere man zou willen beklimmen.

Doutzen is zo'n vrouw die je eigenlijk niet sexy vindt. Ze is gewoon mooi, je kunt er niet omheen. Ze heeft geen stapels l'oreal nodig om knap te zijn. Ze heeft een hoge dosis class, die gedeeltelijk lijkt te verdwijnen in Nova Zembla. Doutzen is de mooie pop met de prins. Natuurlijk. Ze is de pracht met de hemelse boezem en het perfect gekrulde haar. Iedereen wil haar zien, maar niet in een film.

Nederland had hoge verwachtingen van Nederlands eerste 3D film. Heel erg hoog. Volgens onze zeikerige bevolking heeft Doutzen het niet zo heel goed gedaan. In de film heeft ze weinig tekst, wat opzich niet erg is. In iedere film zit een bijrolletje. Het enige probleem is dat Doutzen Doutzen is. Iedereen kent haar. En een model dat wil acteren, het blijft moeilijk. 'Vet stoere' kinderen met een smoel die virtueel zo groot is als de inkijk van Doutzen en Kim Holland bij elkaar noemen haar 'een waardeloze actrice' en ze werkt zelfs 'op de lachenspieren'. Dat ze maar beter gewoon een nietszeggend model blijft en lacht voor het vogeltje.

Ik vind het te gek wat ze gedaan heeft. Ze laat haar stem horen en is eindelijk meer dan een statige pop met een mooi gezicht. Zij zit toch mooi in de eerste 3D film van Nederland waar we over 50 jaar nog over praten. 'Weetje je nog, die borsten van Doutzen Kroes in 3D? En haar kromme vingertjes die naar ons wilden grijpen?' Ze is een voorbeeld voor modellen, en het mooiste is nog wel dat haar acteerwerk niet slecht was. Jammer dat er starre mensen bestaan met vooroordelen die hun denkbeeld 'modellen kunnen niks' niet willen veranderen.

Doutzen, trek je er niks van aan. De volgende keer hoop ik op een rol als zwerver voor je. Een film waarin je een hooggesloten vuilniszak draagt, modder op je gezicht hebt en bloed in je perfect geblondeerde l'oreal-préférence-haar. Een film waarin niemand naar je uiterlijk kijkt en jouw borsten niet één keer in beeld komen, al is het zo'n fijn uitzicht. Want ik geloof in jou. En in je borsten.

vrijdag 23 december 2011

Support trade, not aid



Een eigen winkel in het hart van Amsterdam, een goedlopende tassenlijn en een finaleplaats op de Green Fashion Awards. Paulien Wesselink (26) heeft het allemaal, maar droomt nog steeds. ‘Het liefst zet ik mijn eigen fairtrade beweging op om mensen bewust te maken van groen leven’.

Waarom ben je begonnen met ‘O My Bag’?

‘New York zorgde ervoor dat ik mijn droom achterna ging. Ik studeerde daar Business Management en wilde graag iets doen voor mezelf; eigen ondernemer zijn. Mijn tweede studie, internationale betrekkingen, sloot aan bij wat ik wilde en ik kwam al snel bij een combinatie tussen leren en werken. Ik wilde een product aanbieden waarmee ik iets kon doen om armoede te bestrijden. Ondernemen en werken voor het goede doel, dat is voor mij de ultieme combinatie.’

Is ‘O My Bag’ een winstgevend bedrijf?

‘Het grote verschil tussen mijn producent en andere producenten is dat mijn producent –in India- niet gericht is op winst. Andere producenten knijpen hun werknemers uit zodat er veel winst over blijft. Samenwerken met een fairtrade organisatie houdt dat tegen. Het draait allemaal om eerlijke handel. Eigenlijk is ‘O My Bag’ één groot goed doel!’

De goedkoopste tas is 180 euro. Voor welke doelgroep zijn de tassen bestemd?

‘Het ligt aan de keuzes die mensen maken. Het is heel belangrijk om als klant te realiseren dat het kopen van een tasje bij de Hema heel anders is dan het kopen van een tas van een fairtrade organisatie. Naast de grotere leren tassen heb ik speciaal voor studenten ook canvastasjes bedacht. De prijs hiervan is 17 euro, wat goed te betalen is. Verder is het gewoon a state of mind; het ligt er aan of je het geld ervoor over hebt.’

Je mag met je tassen naar de Amsterdam Fashion Week. Welke tassen neem je mee?

‘Er mogen drie modellen mee naar de Amsterdam Fashion Week. Ik neem de ‘Sleazy Jane’ mee, de Dirty Harry en de Franky Fierce. De reden daarvoor is simpel: ik heb nog maar een hele kleine collectie. Ik heb 1250 euro gewonnen om alles te regelen voor de Fashion Week, dat gaat dus niet naar de tassen, maar naar de productie. De modellen en businessplan voor de show moet ik zelf betalen, daar gaat het meeste geld in zitten.’

Nu je finalist bent voor de Green Fashion Awards krijg je ontzettend veel media-aandacht. Hoe ga je daarmee om?

‘Ik vind het te gek dat het merk zoveel aandacht en waardering krijgen. Naamsbekendheid is toch iets waar je op hoopt, het zou heel jammer zijn als niemand naar je merk omkijkt of erover schrijft. Als iemand iets moois schrijft over de tassen waar jij je ziel en zaligheid in stopt, geeft dat echt een kick. Verder is het niet alleen naamsbekendheid voor mezelf, ook voor fairtrade producten.’

In welk blad zou jij je tassen het liefst terug willen zien?

‘Internationaal gezien zou Vanity Fair heel leuk zijn, dat blad maakt inhoudelijk sterke stukken en mooie portreterende interviews. Er komt ook een Nederlandse Vogue, dat is hét ultieme modeblad. Dat zou echt een stempel van goedkeuring zijn.’

Als je zelf gaat winkelen, let je dan op ‘het groene label’?

‘Nu ik zelf in de ‘groene branche’ zit, let ik er misschien wel te veel op. Ik maak nu andere keuzes en ik weet hoeveel moeite er achter een kledingstuk zit. Als een jurkje tien euro kost sta ik stil bij de marge die naar de winkel gaat. Daar houdt de producent –vaak in het buitenland- niks aan over. Nederlanders zijn naïef, we denken dat alles wat we kopen uit een fabriek komt. Dat klopt niet, het is vaak met de hand gemaakt in lagelonenlanden. Ik heb nu veel meer respect voor producten.’

Wat is het ultieme doel van O My Bag?

‘Ik zou heel graag een ‘fairtrade movement’ op willen zetten en mensen laten zien hoe een product wordt gemaakt. Voor ‘O My Bag’ zou ik ook een producent in Afrika willen, niet alleen in India. Als er in meerdere landen wordt geproduceerd, krijgen de tassen ook een ander uiterlijk. Ik wil in ieder geval op een moderne manier blijven ontwerpen met een lokaal cultureel tintje.’